Overpeinzingen
Metalen I
Ik ben bijna alleen in de nachtelijke, ondergrondse wereld van het metrostation. Grijs, grauw, groezelig, vaal, verschoten, maar verrassend kleurrijk voor wie het ziet. Een figuur van tweeënhalve meter lang, dun als een draad, in een afgedragen zwart pak, glijdt een hoek om en onttrekt zich aan mijn oog. Of was het een schaduw? Terwijl ik afdaal naar een willekeurig platform, mijn hoofd meedeinend op de minimalistische techno in mijn koptelefoon, glijdt mijn hand even over de koele, glad gepolijste roestvrijstalen trapleuning.
Ik vang flarden op van de geur die hier hangt, in de open ruimtes, tunnels, en in de kleine kiertjes tussen de talloze trappen, waar geheimen wonen. Het is een perfect in evenwicht zijnde mix van massief beton, van het mineraalrijke zand onder het straatoppervlak, van duizenden bestemmingen, bereikbaar met metro of, voor wie geluk heeft, met fantasie, en bovenal, de geur van metaal. Koel, krachtig, onverbiddelijk metaal. Robuust lood, gruizig ruwijzer, tinkelende tin, glinsterend chroom, keihard staal. Ik ruik een geur die het midden houdt tussen zoutig als ozon, als zojuist gevormd zweet op je huid, en enigszins weeïg, als een druppel bloed in een glas water.
Ondersteund door het diepe geluid van de denderende metro die in de verte aan komt razen, onzichtbaar nog, neem ik de kille blacklight glans van platen, staven, draden, buizen, sluizen, kuipen, pijpen, spijlen en lijnen in mij op -- kraakhelder als ijs, koel blauw, onbeweeglijk grijs, autonoom en standvastig. Metaal is. Ik denk aan parkeergarages en aan orka's. Ik loop mijn gympen versleten en laat mij meevoeren naar de hoogovens, via de metro óf mijn fantasie. Het maakt niet uit. Metaal is overal. Net als ik.
Reacties
Een reactie posten