De overlevering Er zijn schepen, van allerlei tuigage, die glorieus door de zeventiende eeuw voeren en tenslotte waardig ten onder gingen. Geleefd, weliswaar, en gepokt en gemazeld, maar vredig. Hun tijd kwam, soms vroeg, soms laat, en alwetend gaven zij zich over. Hun enorme houten rompen rusten op stille zeebodems, hun gebroken masten verspreid als de botten van geraamtes. Kalm liggen zij, althans hun lichamen, verstild in de tijd, hun ziel losgebroken uit haar ketenen. Soms zijn ze überhaupt niet tastbaar meer, omdat ze compleet vergaan zijn, of afgebroken. Zulke schepen zijn nog slechts handgeschreven namen in verbleekte inkt, opgetekend in de registers van weleer. Damiate. Zeven Provinciën. Brederode. Wapen van Amsterdam. Hoe dan ook, hun ziel is lang geleden al vertrokken uit de tijd. Wat ons rest is, met geluk, een ogenblik, een vreemde lichtflits die we niet kunnen plaatsen, een déjà vu misschien, welke, voordat we werkelijk beseffen, na een luttele seconde weer ui...