Overpeinzingen
Theater
Als een zwarte kat glip ik tussen de schaduwen. Het groene bordje van de nooduitgang werpt een spookachtig schijnsel, versiert subtiel het uitgestrekte, donkere gebouw waarin ik mij bevind. Ik hoor een zwaar, zoemend geluid, een diepe, monotone bas, die mogelijk uit de regiekamer komt, maar die zich als een soundtrack vol duistere schoonheid door het holst van het gebouw rondom mij verspreidt.
Ik duw de zware deuren open. Onmiddellijk verwelkomt het nachtelijke theater mij met die ene geur: van donkere, eindeloos lange gordijnen, van verlangen, van een vleugje rook, van subtiele noten van parfum van de toeschouwers eerder deze avond, en van verboden dingen. Het is de geur van zwart en rood, een curieus spel van inkt en bloed.
Enkele spotjes verlichten zwak de lange rijen dieprode stoelen, een blauwig schijnsel afkomstig van een paneel doorbreekt de zwarte massa van het podium daarginds. De vleugel kan ieder moment beginnen te spelen; de klep staat al omhoog. Ik ga zitten op één van de stoelen en wacht tot de voorstelling begint. Ik wacht en wacht en wacht, sta op, sluip langs de stoelen, ren over de trappen, zoek naar iets of iemand, maar vind slechts mysterie, flarden van verlangens, heimwee, dromen. Voordat ik ze kan vangen schieten ze weg in het duister tussen de stoelen.
Dan klim ik op het podium, ga in het midden van de lege ruimte zitten, laat mijzelf opnemen in haar duisterheid en andersom. Ik wentel mij in de nacht, in het geheim van de theaterzaal, dat zich niet openbaart, en juist daardoor mijn ziel voedt.
Ik kijk de zaal in. Zonder dat ik het wist is de voorstelling begonnen. De voorstelling ben ik zelf.
Als een zwarte kat glip ik tussen de schaduwen. Het groene bordje van de nooduitgang werpt een spookachtig schijnsel, versiert subtiel het uitgestrekte, donkere gebouw waarin ik mij bevind. Ik hoor een zwaar, zoemend geluid, een diepe, monotone bas, die mogelijk uit de regiekamer komt, maar die zich als een soundtrack vol duistere schoonheid door het holst van het gebouw rondom mij verspreidt.
Ik duw de zware deuren open. Onmiddellijk verwelkomt het nachtelijke theater mij met die ene geur: van donkere, eindeloos lange gordijnen, van verlangen, van een vleugje rook, van subtiele noten van parfum van de toeschouwers eerder deze avond, en van verboden dingen. Het is de geur van zwart en rood, een curieus spel van inkt en bloed.
Enkele spotjes verlichten zwak de lange rijen dieprode stoelen, een blauwig schijnsel afkomstig van een paneel doorbreekt de zwarte massa van het podium daarginds. De vleugel kan ieder moment beginnen te spelen; de klep staat al omhoog. Ik ga zitten op één van de stoelen en wacht tot de voorstelling begint. Ik wacht en wacht en wacht, sta op, sluip langs de stoelen, ren over de trappen, zoek naar iets of iemand, maar vind slechts mysterie, flarden van verlangens, heimwee, dromen. Voordat ik ze kan vangen schieten ze weg in het duister tussen de stoelen.
Dan klim ik op het podium, ga in het midden van de lege ruimte zitten, laat mijzelf opnemen in haar duisterheid en andersom. Ik wentel mij in de nacht, in het geheim van de theaterzaal, dat zich niet openbaart, en juist daardoor mijn ziel voedt.
Ik kijk de zaal in. Zonder dat ik het wist is de voorstelling begonnen. De voorstelling ben ik zelf.
Wat een mooi stuk, weer! Het theater heeft een bijzondere, bijna ongrijpbare sfeer die je goed weet te vangen. Het is net alsof ik er zelf even ben.
BeantwoordenVerwijderenDank je wel! Leuk dat de tekst je even daar deed belanden :)
Verwijderen