Overpeinzingen

Raadsels in het zand

Op sommige namiddagen, meestal in het vroege voorjaar of late najaar, loop ik over bouwterreinen. Het zijn namiddagen waarop het niet regent en de zon niet schijnt en waarop het vroeg noch laat is. Het zijn bovenal namiddagen waarop ik niemand tegenkom behalve mezelf.

Het zand om mij heen is her en der vochtig en rul en tastbaar, op andere plekken juist fijn en stoffig en ongrijpbaar. Er zijn vlaktes, met sporen van rupsbanden waarvan ik nog niet weet waar ze heen leiden, en diepe, koele kuilen waarin ik me kan verstoppen, maar ook hoog opgeworpen bergen aarde waarop ik het terrein kan overzien. Soms laat ik sporen achter, soms niet. Er is zand genoeg om raadsels in te schrijven. Sommige van die raadsels zijn misschien op te lossen, maar niet allemaal.

Wijd verspreid over het terrein staan ook hijskranen, graafmachines, hoogwerkers, bulldozers. Een torenkraan overziet alles, als een wachter. Verankerd in de grond maar wezenlijk los van alles, staan zij, in al hun raadselachtigheid. Als verstilde wezens, wachtend op iets dat niemand weet, misschien zij zelf niet eens.

Een bouwterrein is een landschap van ruimte en mogelijkheden in een variƫteit aan vormen. Het is een wereld van vrijheid. Ik denk aan alles, en aan niets. Aan wat er is, en aan wat niet bestaat, totdat ik het denk. Ik droom over de grenzen van mijn gedachten. De geur van aarde, staal en stof is de brandstof voor constructies die zich ontvouwen in mijn hoofd, als een weerspiegeling van de draderige geraamtes van de gebouwen om mij heen. Zij en ik groeien, nemen raadselachtigheid in ons op, en langzaam worden wij een verhaal.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Eerbetoon